De les bestaat uit:
- Warming-up: slechte openingszinnen bedenken
- Mini-instructie: drie veilige gesprekstechnieken
- Rollenspel in tweetallen: oefenen met een fictieve situatie
- Nabespreking: wat werkt en wat werkt niet?
1. Warming-up
Vraag de groep: “Wat is een slechte openingszin als je iets wilt bespreken?”
Laat studenten voorbeelden roepen en schrijf ze op het bord.
Voorbeelden die vaak komen:
- “Waarom deed jij zo raar gisteren?”
- “Jij was echt irritant.”
- “Leg eens uit waarom je dit deed.”
- “Wat is jouw probleem?”
- “Ik ga dit even oplossen voor jou.”
Doel: Humor → spanning weg → iedereen ziet dat sommige zinnen altijd de verkeerde toon zetten.
2. Mini-instructie: drie veilige technieken (max. 3 minuten)
Leg uit dat er verschillende opties zijn die je kan gebruiken om een gesprek op een veilige manier te openen. Noem de drie meest gebruikte:
- Observaties benoemen (feitelijk, zonder oordeel)
- “Ik zag dat er veel berichten rondgingen.”
- “Ik merkte dat je ineens stil werd in de app.”
- Open vragen stellen
- “Hoe was dat voor jou?”
- “Wat bedoelde je met dat bericht?”
- “Hoe kwam dit bij jou binnen?”
- Spanningscheck zonder beschuldiging
- “Zullen we even checken hoe iedereen dit ervaren heeft?”
Doel: Instrumenten geven om een gesprek rustig te starten.
3. Rollenspel in tweetallen (10 minuten)
Situatie (fictief):
Een student voelt zich buitengesloten in een groepsapp.
Opdracht tweetallen:
- Eén is “mentor/student die het gesprek opent”.
- Eén is “student die zich buitengesloten voelde”.
- Gebruik minstens één observatie.
- Gebruik minstens één open vraag.
- Geen beschuldigingen, labels of harde woorden.
Voorbeelden van situaties die je kunt gebruiken:
- Er is een groepsapp zonder iedereen.
- Er worden grapjes gemaakt die verkeerd vallen.
- Iemand krijgt ineens geen reacties meer op berichten.
- Iemand werd weggelachen of genegeerd.
Doel: Oefenen met taal die werkt.
4. Klassikale nabespreking (5 minuten)
Stel drie vragen aan de hele groep:
- “Welke openingszin werkte verrassend goed?”
- “Welke zin liet iemand juist dichtklappen?”
- “Wat voelde prettig in het gesprek?”
Studenten ontdekken zelf:
- dat rustige observaties werken,
- dat open vragen de ander ruimte geven,
- dat je spanning kunt bespreken zonder ruzie.