Deze werkvorm kun je doen nadat je de Matrix werkvorm hebt ingezet. Door in een matrix de feiten, plannen, doelen en acties te categoriseren, kun je vervolgens een gesprek voeren met de student waarin open, niet-suggestieve vragen centraal staan. Bijvoorbeeld, “hoezo vind je dat het niet goed ging?” Je vraagt voorafgaand aan het gesprek aan de student om op te schrijven wat de feiten zijn (bijvoorbeeld: “ik sta 2 onvoldoendes”). Op basis van de feiten maakt de student een plan, doel en uiteindelijke actie. Tijdens het gesprek kan de matrix aangevuld worden om de student taakgerichte acties mee te geven.